Okushokkie


OKUSHOKKIE

Afgelegen

Een huisje aan de duinrand, onder de kant, overal even ver vandaan. Geen naaste buren, de dichtstbijzijnde plaggenhut stond bij de Fonteinsnol, de keet van Dirk Boon, nog honderden meters verderop de keet van de familie Mulder op het Ruige Landje. De Worsteltent was het eerste stenen huis aan de noordkant, in het zuiden woonde geen mens tot aan Den Hoorn.

Wie woonde daar en wie was eigenaar?

Stichtingdatum 1844 of 1847.

1844 staat bij het huisje op de Pachterskaart.

1847 volgens Kadastrale legger.

Het kadastrale nummer van het huisje was 1063, van alle perceeltjes domeingrond in de strook tussen weg en land 1064.

1064 duin 'stichting' 1863

1063 Huis en Erf 1875 'splitsing'

De kaart van 1873 gaf elk perceel een eigen nummer, van1249 tot 1258.

Het huis had nummer 1255, de schuur 1253, het jaar van de 'sloping' was 1948.

Misschien is er in 1875 een tweede huis gebouwd, in de kadastrale legger staat in dat jaar het woord 'splitsing'. Was er een reden om een tweede huis te bouwen? Wie heeft dat dan gedaan? Wanneer en waarom zijn de eerste gebouwen afgebroken? Waren die oud en vervallen? Verbrand?



Er was een ander huis, aan de duinrand, dat nog niet op deze kaart staat. Het huisje in het land is voor 1875 afgebroken.

Uit een brief van Burgemeester Loman 2-9-1875

Aan Zijne Excellentie den Heer Commissaris des Konings in Noord Holland

Ik heb de eer UEdGrootAchtbare bij deze intezenden de staat van Gebouwde eigendommen voorkomende in Art. 1223 van de Perceelsgewijze legger. Naar aanleiding van UEdGrootAchtbare missive dd 14-12-1874 N 74, N 170/6277 heb ik de eer te berigten dat de perceelen Sectie H 1008, 1093, 1024 en 1297 zijn gesloopt, vroegere eigenaren P. Bakker, L. Vermeulen, F. Gaats en W. Verwij.

Van Sectie F 1080 onbewoond [is de] eigenaar B. Lap, van Sectie H 1138 en 1229 [zijn de] eigenaars en bewoners Pieter Maas en Jacob Krijnen.

1242 is gesloopt, vroeger F. Koorn en 1254 P. Visser bewoner, eigenaar W. Smit.

Vroeger F. Koorn 1242



Op de Pachterskaart van 1842-1853 staat in het land een huisje, waar C. Koorn woonde. Later woonde zijn broer Frans daar.

1254 P. Visser bewoner, eigenaar W. Smit



Van het duin gezien in 1873, met de nieuwe kadastrale nummers. Het huisje van Koorn is weg, maar onder de kant staan 2 gebouwtjes 1253 en 1255.

Woeste plannen voor verbetering van de woeste gronden

Later (1880-1884) was men van alles van plan met de Westermient, ontwateren, verkopen, verhuren, wegen aanleggen. Dat is niet doorgegaan- er was vast weinig belangstelling voor de moerassige weidegrond, waar het 'ongans', de dodelijke leverbotziekte, het houden van schapen onmogelijk maakte.

Die nooit uitgevoerde plannen zijn ingetekend op de bestaande kaart.

Met potlood is daar bijgeschreven, van links naar rechts:

Hoe nu te handelen, met deze beide opstallen waarvan een van steen gedeeltelijk?

Hier is, na het maken dezer teekening, nog een stukje bouwgrond afgetuind, dat niet op de teekening staat, het blijft aan het Rijk.

Dit perceel niet door pikettes afgepaald omdat de nieuwe scheiding geheel uit stevige tuinwal (slechts 38 M sloot ertusschen) bestaat- Deze tuinwal aan het eene uiteinde door te trekken tot het einde der sloot, dan geeft dit beter scheiding.

Er zijn twee foto's, een van het huis en een van het schuurtje.



H 1255, huis

met Antje Krijnen, echtgenote van Bertus Eelman en haar zoon Jan, rond 1905



H 1254, schuurtje

Daar hebben heel wat mensen gewoond:

1844 Cornelis Koorn

1852 Frans Koorn

Maarten Mulder ?

Miggel Witte? Hij zou eerst hier hebben gewoond en later in zijn huisje op de Waaghals. Op de Beheerskaart van SBB staat bij dit huisje 'Huussie van Miggel'. Dat moet dan voor 1890 zijn geweest.

Cornelis Kok Boerderijenboek: Pieter Jacobsz Kok (1818-1901) en Neeltje Pieters Dekker (1821-1883) kwamen uit Den Hoorn. Na de dood van Neeltje was Trijntje Dekker (1828-1891) huishoudster. Pieter was tussen 1870 en 1881 pachter van de duinpercelen in de buurt. Hij hield in 1896 boelhuis, waarin zijn kapwagen, hooihark, 300 schapen en 30 kippen werden verkocht.

1890 Cornelis Kok en Ida Troost, hun zoon Pieter is daar geboren 25-5-1892. Misschien woonden zij bij vader Kok in, want die had geen huishoudster meer. Ida had suikerziekte, reden waarom het gezin weer naar Den Hoorn ging.

Later woonde vader Kok in het dorp bij zijn zoon Willem in.

Staatswoning

Het huisje van Smit (welke W. Smit?) is in 1895 door Domeinen gekocht.

Sinds 1896 Staatswoning

1896 Klaas Min en Trijntje Blankendaal begonnen het werk aan het bos in de omgeving van dit huis. Oude Kwekerij, dennenbomenlaan langs Okusweg. Toen het huis klaar was in 1899 vertrokken zij naar de nieuwe Boschwachterswoning.

1899 Jan Jansz Boon (1874-1953) en Aaltje Jans Kooiman. Jan was 'vast arbeider' bij Staatsboschbeheer. Zij woonden later in het bosarbeidershuisje in de Bocht.

1900 Simon Klaver uit Schoorl met zijn vrouw. Hij was aangenomen als voorman bij de Staat, maar bleek al snel ziek te zijn. Het kostte boswachter Min heel wat moeite om hem weer kwijt te raken, want zo kon hij niet werken, maar moest Min hem wel betalen. Klaver ging terug naar Schoorl, waar hij al snel stierf.

Cornelis Willemsz Bakker (1851-1939) en Guurtje de Graaf (1853-1926) naar bosarbeidershuis aan Ploegelanderweg

1905 Bertus Eelman en Antje Krijnen foto

Boerderijenboek: Lubertus Jansz Eelman (1870-1947) en Antje Cornelis Krijnen (1881-1960) woonden hier tot 1911. Boelhuis: 10 lamschapen, 4 enterlingen, een klamp haverhooi en klampjes ruigte en mest, een partijtje jaapjespenen, een varkenshok, hekken, palen, kribben, ruiven en voerbakken.

1911-1917 Martinus de Graaf en Heintje Dijt, met inwonend schoonvader Jacob Dijt. Diens jonggestorven vrouw Annaatje Bernardus Huisman was een kleindochter van Hendrik Mulder van het Ruige Landje.

Tinus en Heintje hadden 12 kinderen, waarvan Petronella, Jacob en Willem zijn geboren aan de Mient. Toen ze er kwamen wonen waren er al drie, de rest kwam in De Cocksdorp.

1917-1924 Arie Koopman en Cornelia Boot, die naar de Boschwachterswoning gingen. De Boswachter woonde vanaf die tijd in De Koog.

Antje

Hil

Na +/- 1930 was het huisje in gebruik als schaftkeet van de Staat

Willem Visser: er was geen keet in ouwe kwekerij, dus wij gingen in ouwe huussie te eten. Open haard tot boven aan vol sitka-takken gestapeld, dat brandde zo goed, dat ze aan de Westen dachten dat er brand was.

Afbraak

De laatste bewoner was de bok van Heidehof tijdens de evacuatie van de Westen in WO II. De geiten mochten bij Kees Smit aan de Smitsweg logeren.

Het huisje aan de weg is het pand dat tot staatswoning werd gepromoveerd werd en afgebroken is in 1948. De kaart in de Opstandslegger geeft dat duidelijk aan.

Nog steeds staat er een bomenkring, waarin het huis gestaan heeft (men noemt dat huisje wel 'Huussie van Miggel' maar Michiel Witte woonde daar niet, althans niet na 1890, die woonde tot 1924 in het huisje waar bijvoorbeeld Corrie Maas jarenlang gewoond heeft, nu vakantiehuis van de familie IJdo).

AFBRAAK Het was een oud huis, maar dat het aan het eind van de oorlog slooprijp was kwam door Frits Klumper. Die had al het hout er uit gesloopt ("Hij heeft zijn straf gehad, het was zo'n brutale kerel, dat blijft niet goed gaan", zei men nadat Klumper was vermoord door de Duitsers). Later werd opdracht gegeven om de rest te slopen. Eigenlijk was het de bedoeling dat het fundament bleef staan, zodat daar een aardig zomerhuisje gebouwd kon worden voor de Houtvester. Helaas was dat er niet duidelijk bij gezegd. Het puin is gebruikt ter verharding van de weg daar in de buurt.

Verhaal van Jan en Willem Visser

KOORN

Pieter Cornelisz Koorn (1788-1860) en Antje Pieters Koning (1798-1865) van Bargen hadden 4 kinderen: Martje, Pieter, Cornelis en Frans.

Cornelis leefde van 1811 tot 1855. Hij was degene die het duin pachtte en het huisje bouwde. Zijn broer Frans (1814-1897) heeft die pacht kennelijk overgenomen toen Cornelis stierf. Die was getrouwd met Trijntje Cornelis List (1802-1882), weduwe van Pieter Vlaming van Bargen (1803-1830), van wie ze twee zoontjes had, Cornelis en Klaas. Met Cornelis Koorn kreeg Trijntje drie dochters, Antje, Neeltje en Trijntje, alledrie geboren op Bargen tussen 1835 en 1840. Was zij getrouwd met de knecht, en heeft hij haar zo leren kennen? Al die tijd woonden ze dan min of meer in bij zijn ouders, op hun boerderij. Zijn ze voor zichzelf begonnen bij de Mient? Dat is wel flink omlaag op de maatschappelijke ladderÖ.

Eenzaam ook, afgelegen. De pachters van de nabijgelegen velden, Piet Kikkert en Biem Lap bijvoorbeeld, zullen er wel regelmatig langsgekomen zijn, maar verder was het vooral voor een vrouw geen aantrekkelijke woonplek.

Frans trouwde in 1843 met Antje Cornelis Koorn. Hun kinderen werden geboren in de Westen (Pieter 1844), Gerritsland (Cornelisje 1847), Antje (de Westen 1851) en de Mient (Keetje 1853). Keetje overleed in 1858 in de Waal, toen woonde het gezin blijkbaar niet meer in het Okushokkie.

Dominee Jakob Huizinga noteerde over de familie Koorn in het huis onder de duinen:

6 july 1852. Extra warm, ik des namiddags naar de Mient. Gerrit Leen en vrouw bezocht, deze is zeer zwak. Naar Frans Koorn, aldaar koffij gedronken. De vrouw verhaalt veel van de ondervindingen in het huis van seperatist S. Bremer.

25 october 1852. Frans Koorn verhaalde hoe er gister een schip op 't strand was gekoomen geladen met steenkoolen uit Engeland, dat kort nadat het door het volk verlaten was (allen met hun goed behouden) in brand was gevlogen en nog brandde. Neef Huizinga van den Hoorn zei dat hij straks 6 uur de gloed nog aan de lugt had gezien van het brandende schip.

Koorn zal als dichtst-bijwonende wel wezen kijken op het strand.

30 juny 1853. Des morgens met 5 kinderen en Engel en Cornelis Douwes Dekker en Herman Kikkert eene dagwandeling gemaakt over de Mient, door de duinen naar 't Westerstrand. Bij Frans Koorn koffij gedronken en onze broodjes opgegeten. Te half 4 weer te huis.

Samuel schreef hierover: Donderdag 30 Junij 1853. Ik ben vandaag met eenige andre kinderen en Vader naar het strand bij de Westen geweest, om 8 1/2 zijn wij heengegaan. Wij hadden 70 noten, een dik stuk koek en een valies met broodjes medegenomen. Toen wij aan de duinen kwamen hielden wij stil bij een duinval, het water hiervan smaakte lekker. Wij hebben ook nog niet ver van de duinen stilgehouden. Frans Kooren is toen met ons meegegaan om ons de weg door de duinen te wijzen. Toen wij aan het strand kwamen hebben wij ons in het zeewater gebaad, daarna hebben wij bij Frans Kooren theegedronken en toen zijn wij weder naar de Burg gegaan.

De 'duinval' was een bron, misschien de bron van de Fonteinsnol. De weg naar het strand was voor dorpsmensen niet gemakkelijk te vinden. Het Westerslag was nog niet aangelegd, er waren slechts jutterspaadjes.

6 april 1854. Naar de Westen, bij P.G. Eelman en dochter Antje. Bij Cornelis Koorn. Ik spreek bij de beide laatstgenoemden, hun aanmoedigende om met hun lidmaatschap naar den Hoorn te gaan. Dit vindt evenwel geen bijval.

Ze woonden dichter bij den Hoorn dan bij den Burg, zodat het zowel voor Dominee als gemeenteleden makkelijker zou zijn om zich bij de Doopsgezinde Gemeente van den Hoorn aan te sluiten. Maar dat wilden ze beslist niet.

26 mei 1879. Cornelisje Bakker-Koorn herinnert zich uit hare eerste kinderjaren mijne eerste bezoeken aan hare ouders die toen in het duin woonagtig waren. Hoe ik daar eens met alle mijne kinderen en verder gezelschap geweest was.

Cornelisje had het nooit vergeten, de Dominee met al die 7 kinderen bij hun aan huis!

In die tijd was het nooit druk op het zandpad langs haar huis, er kwamen pachters langs van de akkertjes in de buurt, wel eens een opkoper of handelaar, of zo iemand.

KOK

Piet Kok van de Bocht vertelde over zijn grootvader, die gewoon was elke avond met Willem Visser van het Torenhuis naar het strand te gaan. Een keer zaten ze lekker op het bankje bij huis en gingen ze niet. Juist die avond was er van alles aangespoeld. Kok kon zich jaren later nog voor de kop slaan dat hij was thuisgebleven- maar er was geen teken dat het de moeite waard geweest zou zijn, geen storm of zo.

BOON

Jan Jansz Boon (1874-1953) van den Hoorn, getrouwd in 1899 met Aaltje Kooiman (1873-1937), kinderen Jan (1902-1959) en Pietronella (1904-1953)

Werkman, voorwerker, bosarbeider. Zij waren de eerste bewoners van de Staatswoning in de Bocht.



Vader Jan Kooiman was sinds 1924 weduwnaar van Pietertje Eelman. Hij woonde in bij zijn dochter en overleed aan de Westermient. In deze familie waren de gezinnen klein, ook dit echtpaar had maar twee kinderen, Jannetje (1871-1949) en Aaltje.

Jonge Jan werkte ook bij de Staat. Nadat zijn vader was gepensioneerd woonde hij met zijn gezin in de Bocht. Zijn echtgenote was Hermina Former (1908-1998). Hun dochters Aly en Dudy werden vernoemd in de naam van het huis dat Ouwe Jan liet bouwen: Aldubo.

KLAVER

Het droevige verhaal van Simon Klaver uit Aagtdorp.

Boswachter Min was op Texel een vreemde, wat een van de redenen was om hem aan te stellen. Hij zocht een voorwerker, liefst ook uit zijn eigen geboortestreek, de omgeving van Bergen. In zijn brieven aan het Hoofdkantoor van SBB pleitte hij voor de aanstelling van Simon Klaver. Vreemde ogen zouden dwingen, hoopte Min. Dat gold zeker voor hemzelf.

Klaver kwam naar Texel met zijn jonge vrouw. Het wonen in het meest afgelegen huisje van het eiland zal haar niet zijn meegevallen, zeker toen Simon ziek bleek te zijn. Van Min kregen ze geen steun, sterker, hij stelde alles in het werk om Klaver zo snel mogelijk weer weg te krijgen.

Min brief 2-6-1900: De staatswoning en schuur (H 1255 en 1253) komt vrij. Wellicht zou de gelegenheid open staan om een goede voorwerker te bekomen die deze woning kan betrekken. Boschwachter Rusch meende daarvoor een zeer geschikt persoon te mogen aanbevelen nl. een van zijn losse arbeiders genaamd S. Klaver wonend te Aagtdorp onder Schoorl, voorzoover ik deze persoon ken schijnt het mij ook een degelijk arbeider toe en van onbesproken gedrag .

n.b. Klaver heeft verklaard er wel idee om te hebben.

Min brief 13-6-1900: Klaver is hier geweest en wil zijn betrekking aanvaarden, hij zal het Ued zelf berichten.

Min brief 5-8-1900: Maandag namiddag is Klaver met zijne vrouw hier gearriveerd. Boon heeft dinsdag de woning verlaten en Klaver heeft deze woensdag betrokken, tot zoo lang heeft hij bij ons gelogeerd. Ik heb Klaver eerst het terrein en de perceelen rondgeleid waardoor hij zijn werkterrein en zijne plichten leert kennen .

Maar Mins plezier in het hebben van een voorwerker was snel voorbij. Anderhalve maand later was het al misÖ.

Min brief 27-9-1900: Klaver heeft het werk moeten neerleggen. Zondag j.l. heeft Dr. van der Horst hem het werken verboden. Hij heeft pijn in de borst en in de zijde en hoest daarbij leelijk, wat hij trouwens al doet van 't begin af dat hij hier gekomen is .

Min brief 30-9-1900: Klavers ziekte neemt toe, hij is geheel bedlegerig, koortsen en pijn, het laat zich aanzien dat het geen proces van korten duur zal zijn. Gelukkig dat zijn loon doorgaat met het oog op de hooge doctersrekeningen .

In zijn volgende brieven is er sprake van herstel en terugval. De docter vond de lucht te koud en beval alleen licht werk aan. Tenslotte werd de diagnose serieus.

Min brief 7-11-1900: Door Dr. v.d. Horst werd mij medegedeeld dat Klaver een slepende ziekte had en dat hij zeker den gansche winter niet zou kunnen werken en dat de ziekte zich, indien hij hier blijft, zal herhalen. Het is volgens Dr. v.d. Horst noodzakelijk voor Klaver zelf dat hij van Texel gaat. Schoorl zou volgens den Hr. v.d. Horst al een hele verbetering zijn. Hij kan en mag hier niet blijven! Zou het geen aanbeveling verdienen dat Klaver, onder genot van eene maand, desnoods tot 1 januari (ten laste van deze ontginning) zijn tractement te ontvangen, naar Schoorl werd gezonden?

Pas in het voorjaar en na vele brieven was het zover.

Min brief 5-3-1901: Klaver is heden morgen vertrokken met slecht weer. Is het de bedoeling dat Klaver voor deze week ook betaald wordt? Dat is de week van 4 tot 9 maart .

De arts had gelijk gehad, Texel was te koud, daar had de zieke niet de hele winter mogen blijven. Al een maand later was Klaver dood, waar op Texel niemand van opkeek. En wie zou de rekening moeten betalen?

Min brief 4-4-1901: Heden ontvingen wij het bericht dat Klaver den eersten April j.l. is overleden. Zou het niet goed zijn dat er door Rusch eens geÔnformeerd werd of Klaver niet in een of ander fonds is verzekerd of hoe het in 't algemeen met de financiŽn staat. Zoo als Ued weet moet de Doctersrekening noch voldaan worden .

Min brief 8-4-1901: Ik heb met den Heer v.d. Horst niet gesproken en er ook niet aan gedacht dit te doen, te meer daar er nu niets valt te beloven of te bespreken als 'dubbeltjes' en daar heb ik niet mee te maken. Van 't najaar was dit iets anders, toen ging ik op Dr. v.d. Horst zijn woorden af "Klaver wordt gezond als hij na Schoorl gaat" en daarom nam ik aan dat hij dan zijn geld wel uit Schoorl zou krijgen .

Wie de dokter betaalde staat niet in de boeken van Min.

Min koos er nu voor om Jan Boon aan te stellen als voorwerker. Die had weliswaar weinig gezag over de arbeiders, maar hij was al jaren in vaste dienst en was nog nooit ziek geweest.

ANTJE

'Antje woonde onder de Dennen, tussen de kwekerij van de Staat en Heidehof. Een bijna gesloten kring van iepen(?) geeft de plaats waar het stond. Voor de oorlog is het al gesloopt, maar voor het zover was wist Nol Binsbergen een 1e prijs van een fotowedsrijd van de 'Wandelaar' in de wacht te slepen met de foto 'Een verlaten hoekje op Texel'.

Misschien woonde Antje er toen.

Zo kwam op een stralende zomermiddag, meer dan eendekukeltjes was het, de slager uit den Hoorn (GoŽnga?), fiets tegen een van de bomen, opschrijfboekje in de hand, naar de deur. "Antje bee je d'r in?" Geen gehoor. "Antje bee je tuus?" Weer geen reaktie. In arren moede maar eens langs de lange kant van huis geroepen: "Antje weer zit je?" En toen klonk met een wat benepen stem "Hier" van om de hoek.

En ja hoor daar zat Antje in de regenton, hoofd en schouders boven water. Oog in oog met de slager gekomen verzuchtte ze: "T is ok zoo heet!"

Verhaal van de familie Binsbergen, opgeschreven door Michel.

[Antje Boon woonde eerder met Job van der Vliet eerder onder de Ruigedijk. Daar kwam de bakker aan huis, maar Antje hoefde geen brood, want Job at niet en hij zei ook niets. Hij lag almaar in bed. Het rook wat vreemd in huis, zodat de veldwachter werd gewaarschuwd. Job was al een dag of wat dood. Was dat dezelfde Antje? Dat kan haast niet, want deze Antje leefde na de dood van Job verder in het Gesticht.]

Of was dit niet Antje, maar Hil? En wie was die Hil dan?


Terug naar de vorige bladzij